Christendom en recht

Christendom en recht - Inleiding
Op het gebied van recht en wetgeving geloven Christenen dat God ons niet alleen Goddelijke wetten heeft gegeven, maar ook de middelen om ze te ontdekken. Carl F.H. Henry zegt: "God is de enige Wetgever. Wereldse heersers en wetgevende organen moeten allemaal verantwoording afleggen aan Hem, van wie alle verplichtingen afkomstig zijn - godsdienstig, ethisch en burgerlijk"1 (2 Kronieken 20:6; Handelingen 17:24-31).

De waarheid van Henry's samenvatting van de bovenstaande passages uit de Schrift heeft ernstige gevolgen voor ons allen, en niet alleen op het gebied van het recht. Wij erkennen deze waarheid wanneer we de vooronderstellingen en de tekortkomingen onderzoeken van de rechtssystemen die zich op de mens concentreren, vooral de systemen waarin God als Wetgever wordt ontkend. Dergelijke systemen falen, omdat zij noch onze waardigheid als dragers van Gods gelijkenis, noch onze zondige aard erkennen. Alleen de twintigste eeuw geeft ons al voldoende bewijs voor onze zondige aard en voor het falen van rechtssystemen die zich op de mens richten. De heerschappijen van Lenin, Stalin, Hitler en Mao Zedong zijn akelige voorbeelden van samenlevingen waarin de wet door de staat werd verwrongen om de moord op miljoenen menselijke wezens mogelijk te maken. Hun regimes eisten meer slachtoffers dan in alle voorgaande eeuwen bij elkaar opgeteld.2

Christendom en recht - Rechtssystemen die zich op de mens concentreren
Als God bestaat en ons een Goddelijke wet heeft gegeven, dan loopt een maatschappij die Zijn wetten negeert enorme risico's. Mensen die de wet van de zwaartekracht negeren of ontkennen door van een gebouw van tien verdiepingen af te springen, zullen de ernstige gevolgen daarvan ervaren. Samenlevingen die verboden op moord of diefstal negeren of ontkennen hebben eveneens te kampen met ernstige gevolgen. Een samenleving die God afwijst kan willekeurige wetten instellen die ertoe leiden dat de burgers alle respect voor de wet verliezen. Wanneer fundamentele principes van de wet worden ondermijnd, zal volgens John Whitehead "het algemene vertrouwen in de wet en de algemene bereidheid om de wet na te leven eveneens worden uitgehold."3

Wanneer we de wet niet als een "heilig huisje" beschouwen, dan vinden we de wet ook niet meer bindend. Als wij in onze zondige, gevallen toestand onze eigen wetten opstellen, dan zullen wij die waarschijnlijk aanpassen aan onze eigen zelfzuchtige behoeften. Een zwak fundament voor de wet schept een zwak fundament voor moraliteit. We hebben wetten nodig die onveranderlijk zijn en die onze gehoorzaamheid waard zijn, maar we kunnen in onszelf geen consequente morele gedragscode ontdekken. Als God niet bestaat, dan zijn alle dingen toegestaan.

We kunnen om ons heen zien dat de wettelijke en ethische gedragscodes bankroet zijn. Hiermee wordt aangetoond dat we behoefte hebben aan een rechtssysteem dat buiten onze menselijke belangen wordt vormgegeven. John Warwick Montgomery schrijft: "De gruwelen van onze recente geschiedenis [hebben] ons ertoe gedwongen de kinderlijke ontoereikendheid te erkennen van de pogingen om de hoogste wettelijke standaarden te koppelen aan de conventies van een bepaalde samenleving, zelfs als dat onze eigen samenleving is."4 De meeste van deze gruwelen vinden hun oorsprong in het positief recht. Maar als Christenen geloven wij dat de alwetende, almachtige, alomtegenwoordige, liefdevolle God de Wetgever voor de hele wereld is (Psalm 127:1) en dat Zijn eigen karakter de absolute basis voor de wet is.

Christendom en recht - Een absolute standaard
Een verontrustend aspect van de theorie van het rechtspositivisme is dat de wet gebouwd wordt op een steeds veranderend fundament: de grillen van overheden of politieke machthebbers. Maar rechtspositivisten zien dit vanuit een ander perspectief. Zij geloven dat een flexibel rechtssysteem wenselijk is, omdat wij en onze wetten onderhavig zijn aan het evolutieproces. Positivisten geloven dat wetten logischerwijs door de staat geformuleerd moeten worden, omdat zij dan het beste aansluiten bij onze evoluerende behoeften.

Maar de tekortkomingen van een systeem dat gebaseerd is op evolutionaire processen zijn overduidelijk, zoals A.E. Wilder-Smith opmerkt: "Omdat mensen zogenaamd ongelukken zijn, zijn hun wetten dat ook."5 Rechtspositivisme is arbitrair en schept het grote gevaar dat een almachtige staat wordt geschapen (en het maakt niet uit hoe goedbedoeld dat is). Whitehead zegt hierover: "Als er geen gefixeerde wet en geen referentiepunt bestaat, dan kan de wet gewoon zijn wat een rechter besluit dat het is. Maar als de wet gefixeerd is, dan bestaat er een absolute basis voor het uitspreken van oordelen."6

Christenen geloven dat deze fixatie in de morele orde bestaat in de vorm van de Goddelijke wet, die geworteld is in de onveranderlijke aard van God; een stevig fundament dat niet evolueert of verandert. Whitehead legt uit waarom een gefixeerd rechtssysteem superieur is ten opzichte van een flexibel systeem: "De wet heeft in eeuwig opzicht betekenis. De wet heeft een referentiepunt. Net als een schip dat voor anker ligt, kan de wet niet ver afdrijven van zijn meerplaats."7 De Christelijke kijk op de wet brengt een rechtssysteem voort dat niet fluctueert met onze grillen en voorkeuren: het blijft constant en daarom rechtvaardig. Dis perspectief geeft ons een wet die gebouwd is op het absolute fundament van God als de hoogste Wetgever.

Het rechtspositivisme kan de natuur van wetten niet adequaat verklaren: waarom zijn wetten noodzakelijk en waarom zijn door de mens bepaalde wetten niet rechtvaardig? Aan de andere kant kan een Christelijke rechtstheorie verklaren waarom wetten noodzakelijk zijn: omdat wij allen universeel in opstand zijn tegen God en Zijn morele orde en wij dus aardse wetten nodig hebben die gebaseerd zijn op Zijn morele orde om onze opstandigheid in toom te houden. Daarnaast zal onze implementatie van wetten altijd imperfect zijn, omdat onze gevallen aard voorkomt dat wij een volkomen rechtvaardig rechtssysteem zouden kunnen formuleren en handhaven. Desalniettemin geloven Christenen dat wij ondanks onze verdorven, gevallen aard toch kunnen weten wat Gods wetten zijn, dankzij een algemene en een bijzondere openbaring.

Christendom en recht - Conclusie
De Christelijke kijk op recht en wetgeving is gebaseerd op Gods onveranderlijke karakter als een absoluut fundament, in plaats van een fundament dat door de tijd evolueert op basis van omstandigheden in de samenleving. Een Christelijk rechtssysteem verzekert ons van specifieke, absolute mensenrechten die niet gegarandeerd kunnen worden door levensbeschouwingen die Gods bestaan ontkennen. Christelijke mensenrechten zijn gebaseerd op specifieke plichten die in de Bijbel worden voorgeschreven. God geeft ons bepaalde rechten, maar het is onze verantwoordelijkheid om Hem te gehoorzamen en om onze eigen rechten en de rechten van anderen te beschermen.

De Bijbel geeft ons specifieke aanwijzingen voor de instelling van aardse wettelijke systemen. God vereist dat dergelijke systemen ordelijk en onpartijdig zijn. God verwacht dat onze rechtssystemen individuele mensen verantwoordelijk houden voor hun daden en dat zij dienen om Gods orde waar mogelijk te herstellen. God verwacht niet dat rechtssystemen elke zonde illegaal maken, maar wel dat orde en vrijheid worden gehandhaafd door gerechtigheid te bevorderen.

De Bijbel vertelt ons wat God goed vindt en wat Hij van ons vereist: "niets anders dan recht te doen, trouw te betrachten en nederig de weg te gaan van je God" (Micha 6:8). Onze motivatie om "recht te doen" komt voort uit deze wetenschap: "De HEER is geduldig, maar zeer sterk, hij laat nooit iets ongestraft" (Nahum 1:3). Onze motivatie om "trouw te betrachten" en "nederig de weg te gaan" van onze God komt voort uit Jezus Christus, die tegen de overspelige vrouw zei: "Ik veroordeel u ook niet. Ga naar huis, en zondig vanaf nu niet meer" (Johannes 8:11). Wij weten dat wij niet perfect zijn als Christus, maar dat wij er wel van verzekerd zijn dat God ons op de laatste dag - de dag van het oordeel - Zijn genade, barmhartigheid en liefde zal tonen.

Leer meer!


WAT DENK JIJ? - Wij hebben allemaal gezondigd en verdienen allemaal Gods oordeel. God, de Vader, stuurde Zijn eniggeboren Zoon om dat oordeel op Zich te nemen voor iedereen die in Hem gelooft. Jezus, de Schepper en eeuwige Zoon van God, die Zelf een zondeloos leven leidde, hield zo veel van ons dat Hij voor onze zonden stierf om zo de straf op Zich te nemen die wij verdienen. Volgens de Bijbel werd Hij begraven en stond Hij op uit de dood. Als jij dit werkelijk gelooft, er in je hart op vertrouwt en alleen Jezus als je Redder aanvaardt door te zeggen: "Jezus is Heer", dan zul je van het oordeel gered worden en de eeuwigheid met God in de hemel doorbrengen.

Wat is jouw antwoord?

Ja, vandaag heb ik besloten om Jezus te volgen

Ja, ik ben al een volgeling van Jezus

Ik heb nog steeds vragen