Postmodern recht

Postmodern recht – Inleiding
Voordat we het postmodern recht kunnen verkennen, is het nuttig om de discussie in een historische context te plaatsen. Niemand kan dit beter dan Harold J. Berman, voormalig rechtenprofessor aan Harvard Law School. Berman stelt dat er momenteel belangrijke debatten plaatsvinden over ons begrip van het recht. Hij schrijft dat het Westelijke rechtssysteem geworteld is in bepaalde overtuigingen, waaronder “de structurele integriteit van de wet, haar blijvende aard, haar godsdienstige wortels, [en] haar transcendente eigenschappen.”1

Maar Berman legt uit dat deze fundamentele overtuigingen in snel tempo aan het verdwijnen zijn, niet alleen uit de gedachten van de filosofen, maar “uit de gedachten van wetgevers, rechters, advocaten, onderwijzers... [en] uit het bewustzijn van de overgrote meerderheid van de burgers... De wet raakt gefragmenteerd, subjectiever, meer afgestemd op doeltreffendheid dan op moraliteit, meer gericht op onmiddellijke gevolgen dan op samenhang en continuïteit. De historische voedingsbodem van de Westerse rechtstraditie wordt in de twintigste eeuw weggespoeld, en de traditie zelf staat op instorten.”2

De stelling dat de Westerse rechtstraditie op instorten staat is een gedurfde uitspraak, maar gaat niet te ver voor de situatie die wij in de 21e eeuw het hoofd moeten bieden. Berman wijst op de historische achtergrond van deze drastische ideologische verschuiving. In een groot aantal opzichten is de Westerse beschaving de verwoesting en de bloedbaden van de Eerste Wereldoorlog (1914-1918) nooit te boven gekomen. Die oorlog, die werd gevoerd tussen verschillende Westerse machten en tradities, riep grote twijfels op over de levensvatbaarheid en de wenselijkheid van die Westerse tradities, toen de meest verlichte, hoogst opgeleide en wetenschappelijk best onderbouwde volken elkaar op een angstaanjagende schaal bleven neermaaien. Dit leidde volgens Berman tot een “verlies van het vertrouwen in het Westen zelf, als beschaving... en in de rechtstraditie die het Westen al negen eeuwen overeind had gehouden.”3

De huidige crisis in de Westerse beschaving heeft de weg geplaveid voor een nieuwe benadering van de rechtstheorie. En op dit punt heeft het postmodernisme een voet tussen de deur gekregen en zich gemengd in het debat over de plaats en de inhoud van de wet.

Postmodern recht – Afwijzing van de ideeën van de Verlichting
Postmodernisten zien de Europese Verlichting als de blanke mannelijke onderneming die de rede en empirische data veredelden op een voetstuk plaatsten. De Verlichting concentreerde zich op objectieve kennis van een werkelijke wereld, zoals de wetenschappelijke methode om objectieve feiten over het universum te verzamelen, en het idee van gerechtigheid in relatie tot de wet.

Vanuit een postmodern rechtsperspectief is de bron van kennis en gerechtigheid de oorzaak van het probleem. Postmodernisten staan erop dat de Westerse wetgeving, die voortkwam uit het Christendom en de Verlichting, een weerspiegeling is van een blanke mannelijke vooringenomenheid. Zij maken zich sterk tegen “de ideeën van rede en objectieve waarheid, die zij veroordelen als bestanddelen van een blanke, mannelijke dominantie. Zij geven de voorkeur aan subjectievere 'manieren om kennis te verwerven', waaraan vrouwen en minderheden de voorkeur zouden geven, zoals vertellingen. Wat betreft de wetgeving stelt het [postmoderne] geloof dat wettelijke regels onbepaald zijn en slechts dienen om de blanke mannelijke vooringenomenheid van de wet te maskeren.”4 Daarom streven postmodernisten naar het wegwerken van de godsdienstige fundamenten en de transcendente eigenschappen van het Westerse recht. Zij wensen een grotere fragmentatie en subjectiviteit, en minder objectieve moraliteit dan de traditionele Joods-christelijke traditie vereist. Uiteindelijk willen de postmodernisten hun eigen soort sociale rechtvaardigheid scheppen en gebruiken voor hun eigen linkse politieke doeleinden.

Postmodern recht – “Kritische rechtenstudies”
Centraal in deze aanval op het traditionele Westerse recht staat de beweging van de zogenaamde “Kritische rechtenstudies” (KRS). De KRS-beweging publiceert “rechtskritieken die zich concentreren op progressieve – zelfs radicale – verandering in plaats van efficiënt bestuur.”5 De KRS-slogan is zelfs: “kritiek is alles wat er is”. Gebruikmakend van Derrida's “deconstructie”-principe, ontleden zij een wet om de subjectieve betekenis ervan te ontdekken, ongeacht wat er feitelijk in die wet geschreven staat.

“Hoewel KRS en de nieuwere bewegingen een links en progressief oogpunt hebben, hebben de nieuwe bewegingen vaak een duidelijker richtpunt... De nieuwe radicalen concentreren zich op ras- en geslachtskwesties, in het bijzonder op de manier waarop de wet ongelijke machtsverhoudingen schept of vergroot,”6 zo schrijven Farber en Sherry.

De kern van de postmoderne rechtsthese is dat “de werkelijkheid maatschappelijk is geconstrueerd door machthebbers om hun eigen hegemonie [macht over het volk] in stand te houden. Of, zoals een radicale feministe het verwoordde: 'De feministische analyse begint met het principe dat objectieve realiteit een mythe is.'”7 De KRS-beweging versterkt de focus op de wettelijke ongelijkheden, die door de machthebbers worden opgedrongen aan vrouwen en minderheden, door ook de basisideeën over te nemen van “de Franse postmodernisten zoals Michel Foucault en Jacques Derrida. Dit betekent dat het inzicht dat de wet door de samenleving wordt geconstrueerd, wordt uitgebreid tot een argument dat stelt dat alles door de samenleving wordt geconstrueerd.”8 Uit het werk van Foucault concluderen de postmodernisten dat datgene wat objectieve kennis wordt genoemd “een machtsrelatie is, een bevolkingscategorie die profiteert ten koste van een andere bevolkingscategorie.”9 Foucault ziet alle relaties tussen mensen als machtsrelaties. Universele, voor alle mensen geldende standaarden voor wettelijke oordelen bestaan niet. Elke aanspraak op een universele waarheid is slechts een masker waarmee politieke macht wordt verkregen over vrouwen en minderheden.

Stanley Fish, professor in de rechten en in de Engelse taal, beargumenteert als volgt: “Het is altijd al een politiek spelletje geweest.”10 Een voorbeeld van de postmoderne focus op de politiek in plaats van objectieve kennis, werd gegeven door Susan Estrich. Zij is professor in de rechten en politieke wetenschappen aan de Universiteit van Zuid-Californië en is een landelijk columniste die met een groot aantal progressieve politici heeft samengewerkt en in talrijke TV-programma's is verschenen. Estrich werd gevraagd waarom zij enerzijds haar steun gaf aan de vervolging van een kandidaat-rechter voor het Amerikaanse Hooggerechtshof, Clarence Thomas genaamd, vanwege ongewenste seksuele intimiteiten, maar tegelijkertijd haar afkeuring uitsprak over een mogelijke vervolging van president Bill Clinton vanwege ongewenste seksuele intimiteiten. Estrich antwoordde: “U gelooft in principes; ik geloof in politiek.”11

Estrich ziet de wet, net als Marx, Nietzsche en Foucault, eenvoudig als een werktuig om politieke macht te verkrijgen. Marx zei het volgende: “Politieke macht (terecht zo genoemd) is niets meer dan de georganiseerde macht van een bepaalde klasse om een andere te onderdrukken.”12 Estrich impliceert dat zij de wet op elke mogelijke manier zal gebruiken om te krijgen wat zij wil. De wet is dus geen door God ingestelde, objectieve standaard meer waarmee gedrag beoordeeld kan worden en een ordelijke samenleving gewaarborgd kan worden, maar een wapen waarmee politieke tegenstanders gedwongen kunnen worden om een bepaald standpunt over te nemen.

Postmodern recht – Conclusie
Zelfs als alle kennis door de samenleving geconstrueerd zou zijn, dan zou de waarheid zelf nog steeds belangrijk zijn. Brawleys verhaal was fout – niet slechts in een enkele gemeenschap, maar in alle gemeenschappen – omdat de waarheid universeel is. Als de wet niet op objectieve waarheid is gebaseerd, dan ligt er voor ons niets in het verschiet behalve autoritarisme en totalitarisme. Gerechtigheid en waarheid moeten hand in hand gaan.

Advocaat Gary Saalman voorspelt dat de postmoderne focus op de politiek - aangaande ras, geslacht en cultuur - een integraal onderdeel van het rechtssysteem zal worden: “De postmoderne rechtstheorie zal uiteindelijk een cynisme kweken ten opzichte van overheden als geheel en het volledige strafrecht. Dit is dus het werkelijke probleem. Niemand betwijfelt dat wetten geïnterpreteerd moeten worden, of dat rechters of juryleden oneerlijk kunnen handelen, soms zelfs op basis van een vooringenomenheid ten aanzien van ras of geslacht. Maar de vraag is: hoe moeten wij een dergelijke oneerlijkheid beschouwen? Aanvaarden wij het idee dat alle mensen wel oneerlijk en subjectief moeten zijn, zoals postmodernisten beweren? Of herkennen we zulke oneerlijkheid als het kwaad dat het is en bieden we weerstand? Wanneer wij aanvaarden wat de postmodernisten prediken, dan hebben wij geen enkele basis meer om eerlijkheid van het systeem te eisen. In plaats daarvan zetten we minderheden onder de bevolking ertoe aan om de macht over te nemen, zodat het nu hun beurt kan zijn.”13

Leer meer!

Met toestemming gebruikt. Uit het boek Understanding the Times: The Collision of Today's Competing Worldviews (2e editie), David Noebel, Summit Press, 2006. Met dank aan John Stonestreet, David Noebel en het Christian Worldview Ministry van Summit Ministries. Alle rechten voorbehouden in het origineel.

Voetnoten:
1 Aangehaald in Daniel A. Farber en Suzanna Sherry, Beyond All Reason: The Radical Assault on Truth in American Law (Oxford, UK: Oxford University Press, 1997), 39.
2 Idem, 40.
3 Idem, 21.
4 Idem, 5.
5 Idem, 19.
6 Idem, 21.
7 Idem, 23.
8 Idem, 22.
9 Idem, 24.
10 Aangehaald in Dennis McCallum, red., The Death of Truth (Minneapolis, MN: Bethany House, 1996), 170. Zie Stanley Fish, There’s No Such Thing As Free Speech: And It’s a Good Thing, Too (Oxford, UK: Oxford University Press, 1993).
11 Susan Estrich in een online brief aan Stuart Taylor Jr., http://www.slate.com/id/3628/entry/23734/.
12 Karl Marx en Friedrich Engels, The Communist Manifesto (New York, NY: Pocket Books, 1964), 95.
13 McCallum, 175.


WAT DENK JIJ? - Wij hebben allemaal gezondigd en verdienen allemaal Gods oordeel. God, de Vader, stuurde Zijn eniggeboren Zoon om dat oordeel op Zich te nemen voor iedereen die in Hem gelooft. Jezus, de Schepper en eeuwige Zoon van God, die Zelf een zondeloos leven leidde, hield zo veel van ons dat Hij voor onze zonden stierf om zo de straf op Zich te nemen die wij verdienen. Volgens de Bijbel werd Hij begraven en stond Hij op uit de dood. Als jij dit werkelijk gelooft, er in je hart op vertrouwt en alleen Jezus als je Redder aanvaardt door te zeggen: "Jezus is Heer", dan zul je van het oordeel gered worden en de eeuwigheid met God in de hemel doorbrengen.

Wat is jouw antwoord?

Ja, vandaag heb ik besloten om Jezus te volgen

Ja, ik ben al een volgeling van Jezus

Ik heb nog steeds vragen