Het postmoderne wereldbeeld

Het postmoderne wereldbeeld - Hoe het postmodernisme de regels aanpast
Hoewel er belangrijke verschillen bestaan tussen de verscheidene uitdrukkingen van het postmoderne wereldbeeld, is er een geloof dat de kern vormt van al deze uitdrukkingen: een acuut bewustzijn van onze "gesitueerdheid" als menselijke wezens. Zoals ik in een eerder artikel heb beschreven ("Critiek van het postmodernisme"), ontkennen postmodernisten dat de wereld een overkoepelend verhaal ("meta-vertelling") heeft. Daarom bekijken wij de wereld allemaal vanuit een perspectief, of vooringenomenheid, die is vormgegeven door de cultuur, of de "kleine verhalen", waarin wij leven. Zoals Kevin Vanhoozer zegt: "Postmodernisten zijn zo in gedachten verzonken over het gesitueerde zelf dat zij niets kunnen zien wat zich daarbuiten bevind."1 Vanwege deze "gesitueerdheid" kan niemand beweren dat zijn of haar standpunten objectief zijn.

Dit is het duidelijkste verschil tussen het postmodernisme en de meeste andere wereldbeelden. Terwijl de andere levensbeschouwingen zich vooral afvragen wat de werkelijke wereld feitelijk is, richt het postmodernisme zich op de manier waarop wij de wereld ontwaren en beschrijven.

Het postmoderne wereldbeeld - Een levensbeschouwing vol toevalligheden
In het postmoderne wereldbeeld is alles een mogelijkheid: niets staat vast. Wanneer mensen de werkelijkheid op deze manier benaderen, dan heeft dat meerdere gevolgen.

Op de eerste plaats: de werkelijkheid is uiteindelijk onkenbaar. Onze "gesitueerdheid" weerhoudt ons van een rechtstreekse toegang tot en een echte kennis van de werkelijke wereld. Dit wil niet zeggen dat de werkelijke wereld niet bestaat (al wordt dat door sommigen gesuggereerd), maar wel dat we nooit in staat zullen zijn om ons eigen perspectief van ons af te schudden om de werkelijke wereld echt te zien. Niemand heeft een perspectief dat de werkelijkheid "in vogelvlucht" kan bekijken: daarom kan niemand beweren dat hij de waarheid over de wereld bezit. Stanley Fish beschrijft dit dilemma als volgt:

    "Daarnaast is het niet alleen zo dat niemand ooit een transcendente waarheid zou kunnen herkennen als die zich toevallig in onze buurt zou bevinden, maar ook dat het moeilijk te zeggen is hoe een transcendente waarheid eruit zou zien. Natuurlijk weten we wat deze niet zou zijn: deze zou geen betrekking hebben op een specifieke toestand of geÔdentificeerd worden met een historisch voortbrengsel of geformuleerd zijn in termen van nationale, etnische, raciale, economische of klassentradities."2
We zitten gevangen in onze gesitueerdheid. Er bestaat geen enkel fundament dat niet zelf een mogelijkheid is van waaruit een bepaalde en onderling overeengekomen kennisverzameling kan worden opgebouwd. Kennis is uiteindelijk afkomstig uit een persoonlijk perspectief. We hebben nooit echt de feiten; er bestaat slechts interpretatie.

Op de tweede plaats: waarheid en kennis zijn taalkundige constructies. Zij weerspiegelen het perspectief van degene die de uitspraak doet, maar moeten niet verward worden met een feitelijke uitspraak over de feitelijke werkelijkheid. Natuurlijk kan de waarheid niet absoluut zijn, als deze slechts iemands perspectief weerspiegelt en niets werkelijks voorstelt over de objectieve realiteit. Dit is een onvermijdelijke conclusie van het postmoderne wereldbeeld: er is geen absolute waarheid; er zijn slechts "waarheden".

Het is belangrijk op te merken dat het postmodernisme niet noodzakelijkerwijs beweert dat elk mens zijn eigen waarheid heeft, maar dat onze perspectieven op de waarheid voornamelijk worden gevormd door de gemeenschappen of culturen waar wij in leven. Elke samenleving construeert, middels de taal, zijn eigen verhaal over de wereld. Geen enkel verhaal bezit een grotere waarheid dan enig ander verhaal (omdat elk verhaal geldig is), maar de waarheid wordt feitelijk voortgebracht door de vertelling van een gemeenschap. "Waarheden" zijn dus geen gegronde stellingen over de realiteit, maar slechts vertellende werkelijkheden voor een bepaalde groep. En elke groep is anders vanwege hun eigen specifieke taalgebruik.

Het postmoderne keerpunt kan in zekere zin beschouwd worden als een taalkundig keerpunt. Richard Rorty zegt het als volgt: "We moeten een onderscheid maken tussen de bewering dat er in de buitenwereld een wereld bestaat en de bewering dat er in de buitenwereld een waarheid bestaat... De bewering dat er geen waarheid bestaat is niets meer dan een bewering dat er geen waarheid bestaat waar geen zinnen bestaan, dat zinnen elementen van de menselijke talen zijn en dat menselijke talen slechts menselijke scheppingen zijn... De wereld spreekt niet. Alleen wij spreken."3 Met andere woorden, in onze pogingen om de werkelijkheid te beschrijven kunnen we eenvoudig niet aan de taal ontsnappen. Daardoor wordt elke vorm van objectiviteit overboord geworpen.

Deze kijk op de taal is de bron van de zogenaamde "deconstructie" in de literatuur, die voor het eerst door Jacque Derrida werd omhelst. Hij suggereerde dat geen enkele tekst een gefixeerde betekenis heeft, omdat hij alleen het perspectief van de auteur weergeeft. Maar ook elke lezer heeft een perspectief en dus wordt er ook door de lezer een betekenis aan de tekst toegevoegd. Deze betekenis is niet gefixeerd, maar elke tekst kan een veelvoud aan betekenissen hebben - ondanks de oorspronkelijke bedoeling van de auteur.

Een derde implicatie van het postmodernisme is dat vooruitgang een illusie is. Het optimisme van het modernisme, dat gebaseerd was op een vals vertrouwen in menselijke objectiviteit en zekerheid, heeft een klap opgelopen. "Vooruitgang" en "prestaties" zijn sociaal geconstrueerde concepten. Zij zijn een overgebleven bagage van het modernisme waarin we probeerden om de wereld aan de hand van meta-vertellingen te verklaren. Zij zijn uitdrukkingen van onze "gesitueerdheid" die niet gebruikt kunnen worden om een andere cultuur of een andere tijd te evalueren.

Wat betekent het voor een samenleving om voorwaarts te bewegen (en wat betekent "voorwaarts"?) als we geen concept van vooruitgang hebben? Richard Rorty suggereert pragmatisme. Wanneer ideeŽn, uitdrukkingen en concepten met elkaar botsen, dan zal er ťťn naar boven komen als een beter werkende optie. En iets wat werkt in een bepaalde cultuur (zoals monogamie) of situatie (zoals een gepaste leeftijd voor wederzijdse goedkeuring van een seksuele handeling) zal wellicht niet werken in een andere cultuur of situatie.

Onze hedendaagse comedy's op TV illustreren dit standpunt heel duidelijk. Oudere "sitcoms" (dat wil zeggen, de meeste comedy's vůůr "Seinfeld") volgden min of meer dezelfde standaardformule: een personage (meestal in de context van een gezin) heeft te maken met een crisissituatie. In de loop van de aflevering worstelt hij (of zij) met de situatie en komt tot een oplossing. En door met de gevolgen van de crisis af te rekenen heeft hij op een humoristische wijze een morele les geleerd. Dit is niet het geval in de huidige comedy's. De crisis verdwijnt niet, een echte oplossing is zeldzaam, gevolgen kunnen worden ontweken en de moraliteit verdwijnt als sneeuw voor de zon wanneer de hoofdpersoon goed blijkt weg te komen met wat hij heeft gedaan.

Het postmoderne wereldbeeld - Het postmodernisme op de proef stellen
Gaat het postmodernisme dan eigenlijk wel ergens om? Laten we deze ideeŽn eens evalueren in het licht van vier mogelijke proeven die we op ideeŽn kunnen loslaten en kijken of het postmodernisme deze proef kan doorstaan.

De proef van de rede. Het postmodernisme bevat vele tegenstrijdigheden. Het ontkent de mogelijkheid van een meta-vertelling die een alomvattend verhaal kan bieden dat op alle mensen en in alle tijden van toepassing is. De kern van deze suggestie is dat het enige verhaal dat op alle mensen en in alle tijden van toepassing kan zijn juist is dat geen enkel verhaal op alle mensen en in alle tijden van toepassing kan zijn. Met andere woorden, het postmodernisme reikt ons een meta-vertelling aan die beweert dat er geen meta-vertellingen zijn.

Daarnaast suggereren postmodernisten dat we meta-vertellingen moeten afwijzen, omdat we in ons eigen culturele perspectief gevangen zitten en dus alleen in staat zijn om onze eigen interpretaties uit te drukken. Voor de postmoderne mens bestaat er dus niets behalve interpretatie. Maar zou de uitspraak "er is slechts interpretatie" dan niet ook een interpretatie zijn?

Door meta-vertellingen te ontkennen, ontkent het postmodernisme ook het bestaan van objectieve, absolute waarheid (vooral propositionele waarheid) en omarmt daarentegen het bestaan van vele waarheden die door verschillende mensen worden aangehouden. Maar de stelling "er is geen absolute waarheid, er zijn slechts waarheden" is een objectieve, absolute propositionele stelling. Denk nu nog eens na over de bewering van Stanley Fish die wij hierboven aanhaalden:

    "Daarnaast is het niet alleen zo dat niemand ooit een transcendente waarheid zou kunnen herkennen als die zich toevallig in onze buurt zou bevinden, maar ook dat het moeilijk te zeggen is hoe een transcendente waarheid eruit zou zien. Natuurlijk weten we wat deze niet zou zijn: deze zou geen betrekking hebben op een specifieke toestand of geÔdentificeerd worden met een historisch voortbrengsel of geformuleerd zijn in termen van nationale, etnische, raciale, economische of klassentradities."4
Terwijl Fish beweert dat transcendente waarheid onmogelijk is, suggereert hij dat wij op de een of andere manier toch werkelijk kunnen weten wat de waarheid niet zou zijn. Als elke waarheid een sociale mogelijkheid is, zou deze waarheid dan niet ook bepaald kunnen zijn door de sociale omgeving? Wie was in staat om toegang te hebben tot deze waarheid over de realiteit?

Zoals we al eerder hebben opgemerkt, spelen postmodernisten niet volgens hun eigen regels. Maar deze tegenstrijdigheden baren de postmodernist niet veel zorgen. Richard Rorty zegt dit op zijn typische, innemende manier: "Opbouwende filosofen moeten het idee dat zij een standpunt hebben afkeuren, terwijl zij vermijden dat zij een standpunt hebben over het hebben van standpunten."5 In werkelijkheid wordt hiermee een argument gepresenteerd "dat bewijst dat geen enkel argument degelijk is - een bewijs dat er helemaal niet zoiets als bewijs bestaat - en dat is onzin."6 De opmerkzame lezer zal nu doorhebben dat het postmodernisme zich soms schuldig maakt aan intellectuele lafheid, soms aan intellectueel pesten, en soms aan intellectuele luiheid.

De proef van de buitenwereld. Hoewel de vooringenomenheid van een gemeenschap ongetwijfeld bijdraagt aan de perspectieven van de mensen in die gemeenschap, toch volgt hier niet uit dat de werkelijkheid zelf op een sociale manier geconstrueerd is en dat we nooit toegang kunnen hebben tot de objectieve realiteit, zoals postmodernisten beweren. De realiteit is feitelijk wat de realiteit is. Ons perspectief van de realiteit wordt onophoudelijk opgedrongen, uitgedaagd en zelfs veranderd door de realiteit zelf. Transcendentale groepen wier sociale verklaring van de realiteit is dat de stoffelijke wereld een illusie is, ontdekken dat zij zelf toch beheerst worden door de stoffelijke realiteit van ruimte en tijd.

De proef van de interne wereld. Terwijl de modernisten op een verwaande manier gezag toekenden aan het autonome zelf, pogen postmodernisten dit gezag toe te kennen aan de gemeenschap. Maar het postmodernisme heeft op een heel ironische manier de neiging om onze isolatie van anderen te vergroten. Een reden hiervoor is dat de meesten van ons bij meerdere gemeenschappen horen: we groeien op in de ene gemeenschap, gaan dan uiteindelijk in een andere gemeenschap wonen, werken in weer een andere gemeenschap, bezoeken een kerk in weer een andere gemeenschap, gaan in weer een andere gemeenschap met pensioen, enzovoorts. Wanneer zo veel gemeenschappelijke perspectieven strijden om onze trouw, dan leidt dat er vaak toe dat we uiteindelijk bij geen enkele van deze gemeenschappen echt thuishoren. Het is ironisch dat de huidige generatie, die zo prat gaat op de beste communicatietechnologie die de wereld ooit gehad heeft, vaak de meest geÔsoleerde generatie ooit blijkt te zijn.

Tenslotte, als de enige realiteit waar wij toegang tot hebben de realiteit is die wij zelf feitelijk samenstellen, dan zou dat noodzakelijkerwijs betekenen dat het leven verstoken is van enige grotere moraliteit of betekenis. Het postmodernisme is dan, in zijn meest wanhopige vorm, niets meer dan een nieuwe versie van het klassieke nihilisme. In zijn meest positieve vorm kan het postmodernisme niet verder stijgen dan een soort gemeenschapsvorm van het existentialisme. In beide gevallen worden alle hogere waarden geŽlimineerd.

De proef van de werkelijke wereld. Het grootste bewijs dat het postmodernisme de werkelijkheid nooit echt kan beschrijven, is wellicht dat het postmodernisme nooit echt nageleefd kan worden. Mensen zijn naar de gelijkenis van God geschapen en zijn bewust gemaakt van moraliteit, zin en betekenis als onderdeel van wie wij zijn. De postmoderne ethicus beweert in feite: "Goed en kwaad bestaan helemaal niet." Maar dan wacht hij even, en zegt dan: "En dat is alleen maar goed." Binnen in ons hebben wij allemaal een intuÔtieve en onverzoenlijke plek die erop staat dat er wel degelijk zoiets is als goed en kwaad, ook als wij het er onderling niet over eens kunnen worden wat wij in beide categorieŽn plaatsen. Alister McGrath deelt een verrukkelijk verhaal met ons over Kenneth Kirk, professor in de morele theologie aan de Universiteit van Oxford. Zijn vrouw werd naar het werk van haar echtgenoot gevraagd, en zij antwoordde: "Kenneth besteed een heleboel tijd aan het bedenken van heel gecompliceerde en ingewikkelde redenen om dingen te doen waarvan wij allemaal al heel goed weten dat ze fout zijn."7

Bovendien is het belangrijk op te merken dat het postmodernisme alleen binnen een bepaalde context een levensvatbaar wereldbeeld kan zijn. Het wereldbeeld dat beweert dat alle wereldbeelden historisch en cultureel bepaald zijn blijkt zelf historisch en cultureel bepaald te zijn. In zijn opstandigheid tegen het kwaad van het modernisme en de Westerse beschavingen, bestaat het postmodernisme ironisch genoeg alleen maar binnen de context van de moderne en Westerse beschaving! Dit is niet toevallig. De productiviteit van de Westerse beschaving heeft een cultuur geschapen die vooral gedefinieerd wordt door haar consumptisme. Onze cultuur is een cultuur met onbegrensde keuzes, van ontbijtgranen tot filosofieŽn, en de enige absolute waarde is dat ieders recht om zijn of haar eigen bestaan te kiezen gerespecteerd moet worden, zelfs hun eigen zin en betekenis. De menselijke ervaring van het leven lijkt de postmoderne stemming te weergalmen, "waarbij deze ervaring voorgesteld wordt als slechts de ene keuze na de andere, waarbij geen enkele keuze aan de andere gerelateerd is."8 Maar deze kijk op het leven werkt alleen in culturen waar dit soort keuze en persoonlijke beslissingen feitelijk bestaan. En zelfs dan bestaat het slechts totdat dit leefpatroon wordt onderbroken door de feitelijke realiteit.

Het postmoderne wereldbeeld - De culturele uitdaging
In plaats van te capituleren voor het postmoderne wereldbeeld, is het verstandig voor de Bijbelse Christen om te erkennen wat het postmodernisme feitelijk is: een culturele context waarin het Christendom niet alleen bestaat, maar ook kan overleven en zelfs bloeien. De waarheid wijkt niet voor publieke opinie. In tegenstelling tot het postmodernisme is de Bijbelse levensbeschouwing bestand tegen alle uitdagingen en spreekt het nog steeds tot de dominante cultuur.

Leer meer!

Met dank aan John Stonestreet van Summit Ministries.

Voetnoten:
1 Kevin Vanhoozer, "Pilgrim's Digress: Christian Thinking on and about the Post/Modern Way" in Penner, Christianity and the Postmodern Turn: Six Views, 76.
2 Stanley Fish, There's No Such Thing as Free Speech: And It's a Good Thing, Too (New York: Oxford, 1994), 8.
3 Richard Rorty, Contingency, Irony, and Solidarity (New York: Cambridge, 1989), 4-5.
4 Fish, "There's No Such Thing as Free Speech," 8.
5 Rorty, Philosophy and the Mirror of Nature: Thirtieth-Anniversary Edition (Princeton: Princeton University, 2009), 371.
6 C.S. Lewis, Miracles (London: Geoffrey Bles, 1959), 100.
7 Geciteerd in David Horton, red. The Portable Seminary: A Master?s Level Overview in One Volume (Bloomington, Ill: Bethany House, 2006), 610.
8 David Wells, Above All Earthly Powers: Christ in a Postmodern World (Grand Rapids: Eerdman's, 2005), 75-79. Citaat op pag. 78.


WAT DENK JIJ? - Wij hebben allemaal gezondigd en verdienen allemaal Gods oordeel. God, de Vader, stuurde Zijn eniggeboren Zoon om dat oordeel op Zich te nemen voor iedereen die in Hem gelooft. Jezus, de Schepper en eeuwige Zoon van God, die Zelf een zondeloos leven leidde, hield zo veel van ons dat Hij voor onze zonden stierf om zo de straf op Zich te nemen die wij verdienen. Volgens de Bijbel werd Hij begraven en stond Hij op uit de dood. Als jij dit werkelijk gelooft, er in je hart op vertrouwt en alleen Jezus als je Redder aanvaardt door te zeggen: "Jezus is Heer", dan zul je van het oordeel gered worden en de eeuwigheid met God in de hemel doorbrengen.

Wat is jouw antwoord?

Ja, vandaag heb ik besloten om Jezus te volgen

Ja, ik ben al een volgeling van Jezus

Ik heb nog steeds vragen