Postmoderne economie

Postmoderne economie – Inleiding
De volgende citaten van Rorty, Ruccio en Amariglio illustreren een van de obstakels die een goed begrip van de postmoderne kijk op de economie in de weg staan, namelijk een gebrek aan consensus onder de postmodernisten:

    “Het is mogelijk om de voorkeur te geven (en anderen te overtuigen van de voordelen van) het socialisme ten opzichte van het kapitalisme.” (David F. Ruccio en Jack Amariglio)1

    “De afschaffing van privébezit, zo ongeveer de enige constructieve suggestie van Marx, is uitgeprobeerd. Het werkte niet." (Richard Rorty)2
Een ander probleem is dat postmodernisten de neiging hebben om geen traditionele taal te gebruiken wanneer zij de economie bespreken. Ze spreken niet over lonen, pensioenen, rentetarieven, inflatie, sociale zekerheid, enzovoorts, maar gebruiken obscure woorden als fragmentatie, differentiatie, chronologie, pastiche, anti-fundamentalisme en pluralisme. Andere termen die de dialoog vertroebelen zijn onder andere “de onbeslisbaarheid van de betekenis, de tekstualiteit of discursiviteit van de kennis, de onvoorstelbaarheid van de pure 'aanwezigheid', de irrelevantie van de bedoeling, de onoverkomelijkheid van de authenticiteit, de onmogelijkheid van de voorstelling, de viering van speelruimte, verschillen, pluraliteit, toeval, inconsequentie en marginaliteit.”3 Zelfs het woord “persoon” gaat gepaard met de nodige verwarring in de postmoderne economische terminologie. Postmoderne economen Ruccio en Amariglio, schrijvers van ”Postmodern Moments in Modern Economics” (oftewel “Postmoderne momenten in de moderne economie”), leggen dit als volgt uit: “De postmoderne toestand baant de weg voor een geheel nieuwe onderzoeksagenda voor economische wetenschappers indien zij ervoor kiezen om het verenigde 'ik' (wat velen zien als een noodzakelijke fictie) los te laten en zich in plaats daarvan te richten op een fictie die meer in overeenstemming is met de huidige werkelijkheid, namelijk het gedecentraliseerde 'ik'.”4

Ruccio en Amariglio leggen het hart van de postmoderne economie bloot. En om hen te kunnen begrijpen, moeten we begrijpen wat “het verenigde 'ik'” en “het gedecentraliseerde 'ik'” betekenen en waarom zij als fictie worden beschouwd.

Postmoderne economie – De economische basiseenheid: het gedecentraliseerde 'ik'
Economische leer vloeit voort uit ons begrip van de mens. De postmoderne psychologie ziet mensen als verzinsels. Dat betekent dat het verenigde, rationele 'ik' niet bestaat en dat we geen blijvend begrip kunnen hebben van wie wij zijn. In plaats daarvan worden menselijke wezens door postmodernisten “sociale constructies” genoemd.

Ruccio en Amariglio zeggen dat er “geen enkelvoudig of uniek ‘ik'” bestaat.5 Met andere woorden, de persoonlijke identiteit en de permanente ziel/verstand bestaan niet. Postmodernisten spreken niet over menselijke wezens als personen, maar als subjecten, lichamen of eenheden. Het woord “persoon” suggereert dat er een enkelvoudig of uniek ‘ik' bestaat, dat een persoonlijkheid of menselijke natuur bezit. Volgens postmodernisten bestaat de menselijke natuur niet. De mens is slechts een voortdurend evoluerend, bijzonder seksueel, maatschappelijk dier met vele subjectieve belangen die allemaal erkend en aanvaard willen worden. Ruccio en Amariglio geven toe dat zij “geen interesse hebben in een bepaling of voorstelling van hoe het lichaam [het subject] er 'werkelijk' uitziet.”6

Ons algemene begrip van het 'ik' correspondeert met onze perceptie van geslacht en sekse. Maar in de postmoderne kijk zijn deze twee woorden geen synoniemen. Wanneer een mens geboren wordt met een mannelijke of vrouwelijke anatomie, dan maakt dat hem (of haar) nog niet mannelijk of vrouwelijk, omdat deze concepten ficties (verzinsels) zijn die zijn geconstrueerd binnen de sociale context. Ruccio en Amaraglio zeggen: “Ongeacht hun biologische sekse” kunnen aan menselijke wezens “op verschillende manieren een geslacht worden toegekend.”7 Volgens de postmoderne kijk zijn er dus geen twee geslachten meer - mannelijk en vrouwelijk – maar een veelvuldigheid aan geslachten, inclusief (maar niet beperkt tot) heteroseksueel, homoseksueel, biseksueel, transseksueel, enzovoorts. Alle seksualiteiten zijn sociaal en economisch geconstrueerd en moeten in elke nieuwe economische theorie en praktijk in beschouwing worden genomen.8

Een van de belangrijkste doelen van de postmoderne economie is de eliminatie van het onderscheid tussen mannen en vrouwen; een onderscheid dat is “ingeprent door een onderdrukkende patriarchale maatschappij.”9 Het doel is om de patriarchale maatschappij zelf te elimineren en de economische realiteiten van de andere “geslachten” (vrouwen, homoseksuelen, biseksuelen, enzovoorts) te verheffen. Dit doel omvat de schepping van gelijkere werkomstandigheden voor alle subjecten in de arbeidssectoren die tegenwoordig gemonopoliseerd zouden zijn door heteroseksuele mannen, zoals bijvoorbeeld het leger en de geestelijkheid.

De postmoderne economie bestaat uit diverse overlappende concepten. Ten eerste wordt de perceptie van elk subject vormgegeven door de omliggende cultuur. Ten tweede zijn deze percepties ficties in de zin dat zij verhalen zijn die onze maatschappij ons heeft verteld. Ten derde komen deze verhalen niet overeen met enige objectieve of eeuwige werkelijkheid, en verschillen zij van cultuur tot cultuur en van tijd tot tijd.

Postmoderne economie – Socialisme tegenover kapitalisme
Postmodernisten bouwen voort op hun overtuiging dat menselijke eenheden onderling uitwisselbaar zijn. Daarom bekritiseren zij ons Westerse begrip van de geslachten. Het zou onderdrukkend en verouderd zijn. Historisch gezien waren de Westerse economische systemen gebaseerd op een door mannen gedomineerde samenleving. Mannen zouden de bovenhand hebben gevoerd omdat zij de samenleving en de bijbehorende economische structuur in hun voordeel construeerden. Om een maatschappij te kunnen scheppen met gelijke kansen voor alle subjecten, moet dit “mannelijke” systeem dus worden ontmanteld. Omdat mannen hun economische macht niet zomaar zullen willen afstaan aan vrouwen en arme mensen, moet de staat ingrijpen om erop toe te zien dat economische rechtvaardigheid voor alle mensen beschikbaar is. Het socialisme, of een door de staat geplande economie, is een dergelijke interventie.

Postmodernisten staan dus afwijzend tegen het door mannen gedomineerde kapitalisme, omdat het “eenzijdige” individuen voortbrengt die het totaalbeeld niet kunnen overzien. Het socialisme daarentegen “heeft het potentieel om al zijn leden het geheel te laten zien.”10 Met andere woorden: het kapitalisme is vooral aantrekkelijk voor heteroseksuele mannen, terwijl het socialisme het “totaal” van gedecentraliseerde subjecten met talrijke geslachten aanspreekt, vanwege zijn “vele verschillende subjectiviteiten waarvan geen enkele het voorrecht heeft om de werkelijke essentie van het subject te vertegenwoordigen, noch in natuurlijke, noch in historische zin... en zonder een doel of eindpunt waar zij naartoe zouden bewegen.”11

Sommige postmodernisten gebruiken liever de term “alledaagse economie” in plaats van “socialisme”.12 Een oudere term is “collectivisme”. Ongeacht welke naam er gebruikt wordt, het kapitalisme wordt consequent afgewezen en wordt door postmodernisten op verschillende manieren bekritiseerd: “1) winst lijkt een hogere prioriteit te hebben dan mensen; 2) de druk op de arbeiders is afmattend; en 3) burgers worden kaalgeplukt door banken, farmaceutische bedrijven, energiebedrijven, zorgverzekeraars en andere grote, internationale bedrijven in het algemeen [nummering toegevoegd].”13

Stephen Hicks geeft ons het volgende perspectief op de postmoderne kijk op de economie: “Postmoderne denkers hebben een intellectuele traditie geërfd waarvan alle hoop reeds was vervlogen, maar er resteerde altijd nog het socialisme. Hoe ontoereikend hun filosofische universum ook werd op het gebied van de metafysica, de epistemologie en de studie van de menselijke natuur, zij hadden nog steeds de visie van een ethische en politieke orde die alle andere dingen zou overtreffen en de prachtige collectivistische maatschappij zou scheppen.”14

Postmoderne economie – Conclusie
De postmoderne economie is een mengsel van conflicterende ideeën en theorieën. Hoewel de meeste postmodernisten de voorkeur geven aan het socialisme, kiezen anderen voor een mildere vorm van interventionisme. Weer anderen uiten stevige kritiek op het socialisme én het kapitalisme, en tenslotte zijn er postmodernisten die zich kritisch uitlaten over alle economische theorieën.

Uiteindelijk blijken de postmodernisten zich allemaal aan de linkerzijde van het economische spectrum te bevinden en geven zij allen, in zekere mate, de voorkeur aan een bepaalde vorm van staatsinterventie, al zijn ze het niet altijd met elkaar eens over de details. Deze roep om interventie kan heel openlijk zijn, zoals in het geval van Ruccio en Amariglio, of minder openlijk, zoals in het geval van Rorty. Maar ze zijn het er allemaal over eens dat het kapitalisme de vijand is van de sociale rechtvaardigheid. Toch worden oplossingen door de meeste postmodernisten slechts aarzelend aangedragen, vanwege de postmoderne aversie tegen “meta-vertellingen”. Zij experimenteren liever met de mate van socialisme om een economisch alternatief te vinden dat het beste past bij een voortdurend veranderende sociale structuur.

Leer meer!

Met toestemming gebruikt. Uit het boek Understanding the Times: The Collision of Today's Competing Worldviews (2e editie), David Noebel, Summit Press, 2006. Met dank aan John Stonestreet, David Noebel en het Christian Worldview Ministry van Summit Ministries. Alle rechten voorbehouden in het origineel.

Voetnoten:
1 David F. Ruccio en Jack Amariglio, Postmodern Moments in Modern Economics (Princeton, NJ: Princeton University Press, 2003), 299.
2 Richard Rorty, Philosophy and Social Hope (New York, NY: Penguin Books, 1999), 214.
3 Ruccio en Amariglio, Postmodern Moments in Modern Economics, 17–8.
4 Idem, 14.
5 Idem, 167.
6 Idem, 134.
7 Idem, 169.
8 Idem, 129.
9 The Washington Times, 21 april 2005, A2.
10 Ruccio and Amariglio, Postmodern Moments in Modern Economics, 250.
11 Idem, 249.
12 Idem, 270.
13 Idem, 269.
14 Stephen R.C. Hicks, Explaining Postmodernism: Skepticism and Socialism from Rousseau to Foucault (Tempe, AZ: Scholargy Publishing, 2004), 197.


WAT DENK JIJ? - Wij hebben allemaal gezondigd en verdienen allemaal Gods oordeel. God, de Vader, stuurde Zijn eniggeboren Zoon om dat oordeel op Zich te nemen voor iedereen die in Hem gelooft. Jezus, de Schepper en eeuwige Zoon van God, die Zelf een zondeloos leven leidde, hield zo veel van ons dat Hij voor onze zonden stierf om zo de straf op Zich te nemen die wij verdienen. Volgens de Bijbel werd Hij begraven en stond Hij op uit de dood. Als jij dit werkelijk gelooft, er in je hart op vertrouwt en alleen Jezus als je Redder aanvaardt door te zeggen: "Jezus is Heer", dan zul je van het oordeel gered worden en de eeuwigheid met God in de hemel doorbrengen.

Wat is jouw antwoord?

Ja, vandaag heb ik besloten om Jezus te volgen

Ja, ik ben al een volgeling van Jezus

Ik heb nog steeds vragen