Postmoderne ethiek

Postmoderne ethiek – Inleiding
De postmoderne ethiek is niet gebaseerd op universele of onveranderlijke principes. Christenen, Joden en Moslims omarmen ethische gedragscodes met absolute morele waarden die gebaseerd zijn op Gods karakter of morele wetten. Maar seculier humanisten, Marxisten en postmodernisten hebben hun ethische systemen gebouwd op het atheïsme, het naturalisme en de evolutieleer. Maar ondanks dat zij hun oorsprong in hetzelfde gedachtegoed vinden, verschilt de postmoderne ethiek toch wezenlijk van de seculier humanistische en de Marxistische ethiek.

Adam Phillips schrijft: “Universele morele principes moeten uitgeroeid worden en een respect voor individuele en culturele uniciteit moet ingeprent worden.”1 Zygmunt Bauman vervolgt: “Ik suggereer dat de nieuwigheid van de postmoderne aanpak van de ethiek op de eerste plaats bestaat uit... de afwijzing van de typische moderne manieren waarop met morele problemen wordt omgegaan (dat wil zeggen... de filosofische zoektocht naar absolute waarden, universele waarden en fundamenten in de theorie).”2

Postmoderne ethiek – Geen gezag buiten jezelf
Vanuit de postmoderne levensbeschouwing gezien is de ethiek het logische product van een eerdere toewijding aan een bepaalde theologie. Richard Rorty legt dit verband in zijn werk “Achieving Our Country” (oftewel “Ons land volbrengen”), waarin hij het bestaan van God en Gods plaats in de morele orde van het universum denigreert. Om zijn perspectief te illustreren, beroept Rorty zich op de dichterij van Walt Whitman, die zijn kijk op God met de volgende woorden uitdrukt: “En ik roep de mensheid op: wees niet nieuwsgierig naar God. Want ik, die nieuwsgierig is naar allen, ben niet nieuwsgierig naar God.”3 Rorty omarmt Whitmans visie en zegt: “Whitman dacht dat er geen behoefte bestond aan een nieuwsgierigheid naar God omdat er geen standaard bestaat, zelfs geen goddelijke standaard, waaraan de beslissingen van een vrij volk kunnen worden afgemeten. Amerikanen, zo hoopte Whitman, zouden de energie die eerdere generaties hadden gestoken in hun zoektocht naar Gods verlangens, nu steken in hun zoektocht naar elkanders verlangens.”4

Rorty staat erop dat er voor zowel Whitman5 als John Dewey “geen ruimte was voor gehoorzaamheid aan een niet-menselijk gezag [God, dus].” Sterker nog, de schepping van een nieuw idee van wat het betekent om mens te zijn komt neer op “het vergeten van de eeuwigheid”6 Rorty en zijn mede-postmodernisten bouwen het ethische aspect van hun wereldbeeld op dit atheïstische fundament.

Postmoderne ethiek – Cultureel moreel relativisme
Nadat hij het bestaan van God ontkend had, vervolgde Rorty met de ontkenning van het bestaan van een universele morele werkelijkheid “waarmee onze morele oordelen zouden kunnen overeenstemmen, omdat onze fysieke wetenschap zou overeenstemmen met onze fysieke werkelijkheid.”7 Op dit punt kunnen wij ons afvragen: Als er geen objectieve morele werkelijkheid bestaat, waarom zouden we ons dan druk maken over ethische onderwerpen? Hoewel dit een redelijke volgende stap lijkt, voelen postmodernisten zich niet op hun gemak met een volledig negeren van de ethiek, en proberen toch binnen hun eigen levensbeschouwing een standaard voor goed en fout te ontdekken.

Vanhoozer laat zien dat postmodernist Jean-François Lyotard “erkent dat het centrale vraagstuk van het postmodernisme bestaat uit de mogelijkheid dat ethiek bestaat, dat wil zeggen, het bestaan van 'de juiste handeling'.”8 De volgende vraag is dan: Hoe wordt de juiste handeling bepaald? Vanhoozer legt dit uit: “Lyotard zelf is tevreden met 'kleine vertellingen'.”

Als de filosofische waarheid (datgene wat wij kunnen weten over de werkelijkheid) in de plaatselijke gemeenschap kan worden gevonden, dan betekent dit dat de morele waarheid (hoe wij ons zouden moeten gedragen) in diezelfde gemeenschap vertoeft. Omdat er volgens de postmodernisten geen “groter verhaal” bestaat dat ons vertelt wat werkelijkheid is en hoe wij moeten leven, ontwikkelt elke leefgemeenschap zijn eigen “kleine vertellingen” om in die behoefte te voorzien. Dit is Lyotards verwoording van wat “cultureel relativisme” wordt genoemd.

Maar postmodernisten gebruiken de term “relativisme” niet graag. Rorty, bijvoorbeeld, probeert het woord “relatief” wat te verzachten. Hij zegt: “Deze kijk wordt vaak 'cultureel relativisme' genoemd. Maar het is niet relativistisch, als je daarmee bedoelt dat elke morele kijk net zo goed is als alle andere. Ik geloof sterk dat onze morele kijk veel beter is dan alle concurrerende standpunten, ook al zijn er veel mensen die je daarvan nooit zult kunnen overtuigen. Je kunt, incorrect, beweren dat er tussen ons en de Nazi's weinig verschil bestaat. Aan de andere kant kun je, correct, beweren dat er tussen ons geen neutraal terrein bestaat waarop wij onze verschillen zouden kunnen bespreken. Die Nazi en ik zullen elkaar altijd beschuldigen van een cirkelredenering op het gebied van alle cruciale vraagstukken.”9

Rorty zegt hiermee dat er geen objectieve basis bestaat waarmee bepaald kan worden wat goed of fout is. Maar hij staat er desondanks op dat zijn kijk de juiste is, wanneer die vergeleken wordt met de moraliteit van een Nazi. Maar met deze bewering geeft hij ook toe dat er geen mogelijkheid bestaat om tussen de twee standpunten te oordelen en te kiezen. Maar toch maakt hij zich sterk voor zijn eigen standpunt. Uiteindelijk zal de maatschappij haar morele standaard toepassen op de handelingen van haar leden. Met andere woorden: volgens de postmodernist worden de morele keuzes die een lid van een leefgemeenschap mag maken beheerst door de leden van die gemeenschap. Zo bezien vindt zelfs Rorty dat hij alles zou kunnen en mogen doen wat zijn bepaalde leefgemeenschap hem toestaat.

Postmoderne ethiek – De evolutie van moraliteit een zetje geven
In de postmoderne ethiek worden collectieve morele standaarden vormgegeven door dwang én consensus. Er bestaat geen verband tussen moraliteit en God. Moraliteit wordt niet opgelegd door enigerlei natuurwetten. In plaats daarvan worden ethische systemen binnen de samenlevingen geconstrueerd. Zelfs de morele standaard van een cultuur komt dus voort uit de diverse invloeden binnen de leefgemeenschap. Maar moraliteit staat niet stil: moraliteit verandert, past zich aan en evolueert voortdurend in overeenstemming met de voorschriften van de groep.10

Laten we eens naar het voorbeeld van de abortuskwestie kijken om aan te tonen dat morele standaarden worden bepaald door cultuur en evolueren binnen de maatschappij. In het verleden werd een abortus in de meeste Westerse culturen, onder invloed van de Christelijke overtuiging, verafschuwd. Maar in onze huidige maatschappij hebben seculiere overheden en burgers minder moeite met deze praktijk.

Waarom spreken en schrijven postmodernisten als Richard Rorty over morele vraagstukken alsof moraliteit niet werkelijk zou bestaan? Eenvoudig gezegd, omdat Rorty een consequente atheïst en Darwinist is. Als er geen God is, is er geen absolute moraliteit en uiteindelijk ook geen waarheid, en mogen we de wereld construeren op een manier die ons het beste helpt om te overleven. Rorty pleit daarom voor de subjectieve “ethische standaarden” waaraan hij zelf de voorkeur geeft, voorkeuren waar hij zich zelf bij op zijn gemak voelt.

Voor Rorty zijn woorden slechts “werktuigen” om anderen te overreden.11 We hoeven niet logisch en consequent met woorden om te springen, want woorden zijn slechts gereedschappen die individuen kunnen aanzetten tot verandering, als die woorden gepast en creatief worden gebruikt. Uiteindelijk hoopt Rorty dat hij anderen (jou) zal kunnen overhalen om de wereld te zien zoals hij haar ziet en zelfs zijn ideeën en morele standaard over te nemen.

Op een heel realistische manier probeert Rorty de evolutie van de maatschappelijke morele standaarden te vormen naar zijn eigen standaarden. Uiteindelijk functioneren moraliteit en maatschappij als een soort onbewuste onderhandeling: alle mensen in de gemeenschap presenteren de overtuigingen waaraan zij de voorkeur geven. Deze ideeën worden dan overwogen, bediscussieerd en aangepast. En uiteindelijk vindt er een consensus plaats, al bevindt deze consensus zich in een voortdurende arbitragetoestand.

Je kunt het als volgt zien: de postmoderne moraliteit is als een spelletje in een Reality TV show. De deelnemers worden gedwongen om samen te werken om te krijgen wat zij zelf persoonlijk graag willen. Zij moeten wel samenwerken, want anders krijgt niemand iets. Maar tijdens het spel probeert Rorty de anderen over te halen om zijn ethische principes over te nemen. Als hij daarin slaagt, dan wint hij. Maar als iemand met een andere verzameling normen en waarden de overige groepsleden kan overhalen, dan verliezen Rorty's ideeën terrein en wordt hij aan de kant gezet of zelfs van het eiland verjaagd!

Niet alle postmodernisten zijn het eens met Rorty's standpunt. Postmodern psychiater Adam Phillips staat erop dat ethische grenzen “een soort pontificaat en een keizerlijke zelfverheerlijking zijn... Geen enkele volwassene kan weten wat het beste is voor een andere volwassene. En op eenzelfde manier kan geen enkele groep of maatschappij weten wat het beste is voor een andere groep of maatschappij.”12 Phillips' standpunt lijkt goed te passen bij de algemene postmoderne gedachtegang, die niet toestaat dat er ook maar iemand gelijk kan hebben over enig onderwerp, inclusief de ethiek.

Postmoderne ethiek – Conclusie
De volgende vertelling illustreert heel treffend wat de gevolgen zijn van de postmoderne ethiek en de instorting van ethische waarden en maatschappelijke verantwoordelijkheden. Wat gebeurt er namelijk als mensen het postmoderne idee “is dat goed voor mij?” in praktijk brengen?

Meer dan vijftien jaar lang zorgde de Britse arts en psychiater Theodore Dalrympl voor de allerarmsten in de sloppenwijken van Londen. Op basis van die ervaring merkte Dalrymple op dat de intellectuelen in de twintigste eeuw “ernaar streefden om onze seksuele betrekkingen te bevrijden van alle mogelijke sociale, contractuele en morele verplichtingen en betekenis, zodat alleen nog het puur seksuele verlangen zelf bepalend zou zijn in onze besluitvorming.” Wanneer deze ideeën “letterlijk en op grote schaal worden aangenomen in de laagste en kwetsbaarste maatschappelijke klasse”, gebeurt er volgens Dalrymple het volgende in het werkelijke leven: “Als iemand wil weten hoe seksuele relaties er uit zien wanneer zij bevrijd zijn van contractuele en maatschappelijke verplichtingen, laat hem of haar dan eens een blik werpen op de persoonlijke levens van mensen in de laagste klasse. Hier worden abortussen uitgevoerd met behulp van een 'kung fu'-slag in de buik. Kinderen hebben kinderen, in aantallen die ongekend waren vóór de komst van de chemische geboortebeperking en seksuele voorlichting. Vrouwen worden een maand voor of een maand na hun bevalling verlaten door de vader van hun kind. Ongevoelige jaloezie, de keerzijde van de munt van de algemene losbandigheid, leidt tot de gruwelijkste vormen van onderdrukking en geweld. Het bestaan van 'seriematig stiefvaderschap' leidt op grote schaal tot seksueel en lichamelijk misbruik van kinderen en tot elke mogelijke vervaging van het onderscheid tussen wat seksueel toelaatbaar en ontoelaatbaar is.”13

Hoewel het heel ruimdenkend mag klinken wanneer iemand beweert dat mensen moeten kunnen leven zoals ze zelf willen, stort de werkelijke wereld dan als een kaartenhuis in, en worden de gevolgen van de ontkenning van de universele morele orde geopenbaard. Wij weten uit Romeinen 1 en 2 dat God niet alleen Zijn bestaan aan ons heeft geopenbaard, maar ook Zijn morele wetten én de gevolgen die wij kunnen verwachten als we die wetten negeren. Na het lezen van Dalrymples expliciete beschrijving van de gevolgen van het maken van onze eigen morele standaarden, moeten we de wijsheid van de wereld opnieuw evalueren in het licht van de wijsheid van God, en zo ontdekken wat het verschil is tussen juist en onjuist, goed en kwaad.

Het kan God helemaal niet schelen welke handelingen of filosofieën een bepaalde samenleving of cultuur “juist” of “goed” verklaart als die volgens Zijn standaarden gewoon fout en boosaardig zijn. Maar het is heel belangrijk voor God als wij de waarheid kennen die Hij aan ons heeft duidelijk gemaakt en dat wij goed begrijpen wat de gevolgen zijn als wij Zijn normen over goed gedrag en goede gedachten in de wind slaan.

Leer meer!

Met toestemming gebruikt. Uit het boek Understanding the Times: The Collision of Today's Competing Worldviews (2e editie), David Noebel, Summit Press, 2006. Met dank aan John Stonestreet, David Noebel en het Christian Worldview Ministry van Summit Ministries. Alle rechten voorbehouden in het origineel.

Voetnoten:
1 The Weekly Standard, 14 november, 2005, 41.
2 Zygmunt Bauman, Postmoderne ethiek (Oxford, UK: Blackwell Publishers, 1993), 3–4.
3 Richard Rorty, Achieving Our Country: Leftist Thought in Twentieth-Century America (Cambridge, MA: Harvard University Press, 1998), 16.
4 Idem.
5 Richard J. Ellis, The Dark Side of the Left: Illiberal Egalitarianism in America (Lawrence, KS: University Press of Kansas, 1998), 79–80: “Whitman gaf vorm aan een groot aantal linkse literaire radicalen in de vroege twintigste eeuw, van Randolph Bourne en Van Wyck Brooks tot John Reed en Max Eastman, die zichzelf veelzeggend aanduidde als een ‘Amerikaans lyrisch Socialist—een kind van Walt Whitman grootgebracht door Karl Marx.’”
6 Rorty, Achieving Our Country, 18.
7 Robert B. Brandom, red., Rorty and his Critics (Oxford, UK: Blackwell Publishers, 2001), 4–5.
8 Kevin J. Vanhoozer, Postmodern Theology (Cambridge, UK: Cambridge University Press, 2005), 10.
9 Richard Rorty, Philosophy and Social Hope (New York, NY: Penguin Books, 1999), 15.
10 Dit idee van moraliteit wordt verder verkend in de verhandeling “Ethics Without Principles” aangehaald in Idem, 72–88.
11 Een terugkerend thema in Rorty’s Philosophy and Social Hope is het gebruik van woorden, ideeën en filosofieën als gereedschappen, in plaats van als werkelijke zaken, vooral in hoofdstukken 22–26.
12 The Weekly Standard, 41.
13 Theodore Dalrymple, Life at the Bottom: The Worldview That Makes the Underclass (Chicago, IL: Ivan R. Dee, 2001), xi


WAT DENK JIJ? - Wij hebben allemaal gezondigd en verdienen allemaal Gods oordeel. God, de Vader, stuurde Zijn eniggeboren Zoon om dat oordeel op Zich te nemen voor iedereen die in Hem gelooft. Jezus, de Schepper en eeuwige Zoon van God, die Zelf een zondeloos leven leidde, hield zo veel van ons dat Hij voor onze zonden stierf om zo de straf op Zich te nemen die wij verdienen. Volgens de Bijbel werd Hij begraven en stond Hij op uit de dood. Als jij dit werkelijk gelooft, er in je hart op vertrouwt en alleen Jezus als je Redder aanvaardt door te zeggen: "Jezus is Heer", dan zul je van het oordeel gered worden en de eeuwigheid met God in de hemel doorbrengen.

Wat is jouw antwoord?

Ja, vandaag heb ik besloten om Jezus te volgen

Ja, ik ben al een volgeling van Jezus

Ik heb nog steeds vragen