Postmoderne geschiedenis

Postmoderne geschiedenis – Inleiding
Michel Foucault geeft ons een treffend perspectief op de postmoderne geschiedenis: “Ik ben mij er terdege van bewust dat ik nooit iets anders heb geschreven dan fictie. Maar daarmee wil ik niet zeggen dat de waarheid daarom afwezig is. Ik heb de indruk dat fictie een functie kan hebben in de waarheid. Iemand 'verzint' de geschiedenis op basis van een politieke realiteit die het waar maakt; iemand 'verzint' een nog niet bestaande politiek op basis van de historische waarheid.”1

De postmoderne benadering tot de geschiedenis verschilt drastisch van die van alle andere levensbeschouwingen.2 Een Christelijk wereldbeeld ziet de geschiedenis bijvoorbeeld als de grote ontvouwing van Gods plan om een in zonde vervallen mensheid te redden (zie de toespraak van Paulus in Handelingen 17). Maar de radicalere postmodernisten zien uiteindelijk geen doel in de geschiedenis en bepleiten een nihilistisch perspectief. Minder radicale postmodernisten geloven dat de geschiedenis is wat wij ervan maken. Zij geloven dat historische feiten ontoegankelijk zijn en dat de historicus dus zijn of haar voorstellingsvermogen en ideologische kijk moet gebruiken om te reconstrueren wat er in het verleden is gebeurd.

Postmodernisten gebruiken het woord “historicisme” om het standpunt te beschrijven dat alle vragen beantwoord moeten worden binnen de culturele en sociale context waarin zij gesteld worden. Zowel Lacan als Foucault beargumenteren dat elke periode in de geschiedenis haar eigen kennissysteem had en dat individuele mensen onvermijdelijk verstrikt raken binnen deze systemen. De antwoorden op grote levensvragen kunnen niet gevonden worden door een beroep te doen op enige externe waarheid, maar alleen door te kijken naar de normen en de waarden binnen elke cultuur die deze vragen stelt.

Postmoderne geschiedenis – Geschiedenis als fictie
In tegenstelling tot de postmoderne geschiedenis stelt de traditionele kijk op de geschiedenis dat wij tot op zekere hoogte een accuraat begrip kunnen verkrijgen van gebeurtenissen uit het verleden en hun belang, door het beschikbare bewijs (teksten, voorwerpen, enzovoorts) te onderzoeken. Dit betekent dat niet alle beschrijvingen van de geschiedenis even geldig zijn. Sommige beschrijvingen kunnen feitelijke gebeurtenissen nauwkeuriger weergeven dan andere. Wanneer nieuwe informatie naar boven komt, kan een bepaalde beschrijving van de geschiedenis worden gereviseerd of uitgebreid.

Maar postmodernisten betwijfelen of een nauwkeurige beschrijving van het verleden wel mogelijk is, omdat zij het verschil tussen feit en fictie vertroebelen. Sommigen beweren zelfs dat alle historische verslagen fictief zijn.3 Foucault is een van de grondleggers van deze postmoderne benadering van de geschiedenis, die de traditionele aanpak in grote mate betwist. In een biografie over Foucault biedt John Coffey inzicht in de manier waarop Foucaults kijk op de geschiedenis werd beïnvloed door zijn achtergrond:

    In 1948 probeerde Michel Foucault zelfmoord te plegen. Indertijd was hij een student aan de elitaire universiteit van Parijs, de “Ecole Normale”. De arts-assistent had weinig twijfels over de oorzaak van de ellende van deze jonge man. Foucault leek overspoeld te worden door schuldgevoelens over zijn regelmatige nachtelijke bezoeken aan de illegale homocafés in de Franse hoofdstad. Zijn vader, een strenge zedenmeester die zijn zoon eerder naar de striktste katholieke school had gestuurd die hij maar kon vinden, regelde dat Michel ter evaluatie in een psychiatrisch ziekenhuis werd opgenomen. Maar Foucault bleef geobsedeerd door de dood. Hij grapte dat hij zichzelf zou ophangen en hij probeerde nog vaker om zichzelf van het leven te beroven. Deze ervaring uit zijn jonge jaren als homoseksueel met zelfmoordneigingen en mentale problemen bleek een beslissende factor te zijn voor Foucaults intellectuele ontwikkeling. De inhoud van een groot aantal van zijn latere werken kwam voort uit zijn eigen ervaringen: “Madness and Civilization” (1961), “The Birth of the Clinic” (1963), “Discipline and Punish” (1975) en “The History of Sexuality” (3 delen, 1976-1984). Deze gaan allemaal over onderwerpen waar de schrijver persoonlijk mee te maken had. Foucaults intellectuele carrière was een levenslange kruistocht ten gunste van de mensen die door de samenleving werden gebrandmerkt, gemarginaliseerd, opgesloten en onderdrukt.4
Foucault was er dus op gebrand om zichzelf en anderen te bevrijden van alle mogelijke beperkingen: theologisch, moreel en sociaal. Mark Poster merkt op: “Foucault biedt een nieuwe manier om in de huidige politieke strijd over de geschiedenis na te denken en te schrijven. Foucault is een anti-historicus. Hij is iemand die met zijn geschiedkundige werken elke canon van het vakgebied bedreigt.”5 Een van Foucaults belangrijkste stellingen was inderdaad dat waarheid en kennis niets meer zijn dan een aanspraak op macht.

Voor Foucault waren waarheid en kennis slechts constructies die wij gebruiken om anderen te overreden. Zij hoeven niet overeen te komen met de werkelijkheid, omdat wij onze werkelijkheid op een zodanige manier samenstellen dat die ons macht over anderen geeft. Met dit in het achterhoofd is zijn bekentenis in “Knowledge/Power” veelzeggend: “Ik ben mij er terdege van bewust dat ik nooit iets anders heb geschreven dan fictie. Maar daarmee wil ik niet zeggen dat de waarheid daarom afwezig is. Ik heb de indruk dat fictie een functie kan hebben in de waarheid, dat een fictieve uiteenzetting gevolgen kan hebben voor de waarheid en dat deze kan leiden tot een werkelijke uiteenzetting die iets verwerkt of 'produceert' wat nog niet bestaat; dat er iets door 'verzonnen' wordt. Iemand 'verzint' de geschiedenis op basis van een politieke realiteit die het waar maakt; iemand 'verzint' een nog niet bestaande politiek op basis van de historische waarheid.”6

Postmoderne geschiedenis – De geschiedenis reviseren
Hoewel de geschiedenis van de mensheid zelf misschien geen doel hoeft, hebben geschreven historische verslagen dat wel. Het idee dat de beschrijvingen van de geschiedenis een ideologie zouden moeten bevorderen, strookt met Foucaults benadering van de geschiedenis. Als het aanspraak maken op kennis, zoals Foucault verkondigt, werkelijk niets meer is dan een poging om anderen te overweldigen, dan kan een aangepaste versie van de geschiedenis een onderdrukte bevolkingsgroep helpen om de macht te verkrijgen.

Volgens de postmodernisten heeft het vakgebied van de geschiedenis zich dus afgekeerd van de bestudering van belangrijke figuren en de strijd tussen volkeren, en concentreert het zich nu op sociale groepen en instellingen. Tom Dixon schrijft: “Sociale historici worden vaak gedreven door activistische motieven. Historisch onderzoek is geen poging meer om het verleden te begrijpen, maar een propagandamiddel dat gebruikt kan worden in de moderne politieke en sociale machtsstrijd.”7 Dixon merkt ook het volgende op: “Postmoderne culturele historici vinden een gedeeltelijke of volledige vooringenomenheid onvermijdelijk. Het gevolg is dat wij een groeiende bereidheid zien om feiten op een zodanige manier te arrangeren en te bewerken dat zij de boodschap van bepaalde historici bekrachtigen.”8 En dat is precies waar de grens tussen een beschrijving en een revisie van de geschiedenis wordt overschreden.

Deze revisie van het verleden om een zeker te doel te dienen, ook wel “historisch revisionisme” genoemd, geeft onderdrukte sociale minderheden grotere macht. Feministische beschrijvingen van de geschiedenis proberen dus te laten zien dat het verleden patriarchaal en door mannen gedomineerd was, en banen de weg voor een grotere machtspositie voor de vrouw. Op eenzelfde manier worden homoseksuele beschrijvingen van de geschiedenis geschreven (als reactie op homofobe onderdrukking) om gelijkheid voor homoseksuelen te bewerkstelligen. Zwarte beschrijvingen van de geschiedenis leggen de nadruk op de gruweldaden van de slavernij als een soort vergoeding voor de slechte behandeling in het verleden van bevolkingsgroepen die oorspronkelijk uit Afrika afkomstig waren. Elke onderdrukte groep – minderheden van alle kleuren, herkomsten, nationaliteiten en seksualiteiten – heeft zijn eigen soort onrecht dat aan het licht gebracht moet worden, zodat wantoestanden uit het verleden kunnen worden rechtgezet.

Neem bijvoorbeeld Rigoberta Menchu, die in 1992 de Nobelprijs won voor haar autobiografie “I, Rigoberta Menchu: An Indian Woman in Guatemala”. Haar boek was meteen een bestseller op de universiteitscampussen, waar professoren haar verhaal gebruikten om de benarde situatie van de arme Guatemalanen onder de doodseskaders van de regering te laten zien. Menchu houdt vol dat zij persoonlijk zag hoe haar broer door het Guatemalaanse leger levend werd verbrand op het stadsplein van haar woonplaats. Maar toen doctoraal student David Stoll naar Guatemala ging om Menchu’s verhaal te verifiëren, ontdekte hij dat geen enkele dorpeling zich een dergelijke slachtpartij door het Guatemalaanse leger kon herinneren.9 Nog erger, de belangrijkste strijd in het boek, die tussen haar vader en een landeigenaar met een lichtere huidskleur, bleek feitelijk een ruzie tussen haar vader en zijn schoonfamilie.

We weten sindsdien dat Menchu haar verhaal had verteld aan een Franse linkse activiste, Elisabeth Burgos-Debray genaamd, die vervolgens de autobiografie schreef en een groot aantal “feiten” in haar boek verkeerd weergaf. Burgos-Debray beweerde dat Menchu, als vrouw, niet naar school mocht gaan, maar in werkelijkheid bezocht zij twee katholieke kostscholen tot en met de tweede klas van de middelbare school. Het boek stelt dat zij onder gruwelijke omstandigheden op een plantage werkte, maar als kind had zij nooit voet gezet op een plantage. De schrijfster beweerde verder dat de plaatselijke dorpelingen de Marxistische guerrilla’s als bevrijders zagen, terwijl zij in werkelijkheid doodsbang voor hen waren.

Kevin J. Kelley merkt op: “Amerikaanse progressievelingen die aandacht schenken aan [Stolls] argumenten – en die niet verblind zijn door hun eigen dogma – zullen ontdekken dat zij Stolls analyse moeilijk kunnen wegwuiven.”10 Maar toch zei professor Marjorie Agosin van Wellesley College in een reactie op Stolls onderzoek botweg: “Het maakt mij niets uit of haar boek waar is of niet. We zouden onze studenten moeten leren over de brutaliteit van het Guatemalaanse leger en de Amerikaanse financiering ervan.”11 Integriteit wordt dus overtroefd door ideologie.

Sommige feministische historici beweren dat mannen de geschiedenis van vrouwen niet kunnen beschrijven; in de eerste plaats omdat mannen vrouwen gewoonweg niet kunnen begrijpen, en ten tweede omdat mannen mannelijke ideologieën hebben, terwijl vrouwen vrouwelijke ideologieën hebben. Hetzelfde wordt beweerd over mensen die proberen om de geschiedenis van een ander mensenras te beschrijven. Dat zou niet kunnen slagen omdat verondersteld wordt dat alle mensen zich onder een wolk van raciale vooroordelen bevinden.

Postmoderne geschiedenis – Conclusie
Omdat ideeën gevolgen hebben, kunnen wij ons niet veroorloven om de gevolgen van de meer radicale postmoderne benadering van de geschiedenis over het hoofd te zien. Als de geschiedenis slechts fictie is, of grotendeels fictie is, dan zouden wij indirect bijvoorbeeld mensen die de Holocaust proberen te ontkennen door de aantallen opgesloten, gemartelde, verhongerde, doodgeschoten, gecremeerde en in massagraven begraven Joden proberen te minimaliseren, vaste voet aan de grond geven. Als de geschiedenis werkelijk (grotendeels) fictie zou zijn, dan kunnen Moeder Teresa en Adolf Hitler niet gebruikt worden als voorbeelden voor goed en kwaad. Dan houden we alleen maar verschillende niveaus van fictie over.

Leer meer!

Met toestemming gebruikt. Uit het boek Understanding the Times: The Collision of Today's Competing Worldviews (2e editie), David Noebel, Summit Press, 2006. Met dank aan John Stonestreet, David Noebel en het Christian Worldview Ministry van Summit Ministries. Alle rechten voorbehouden in het origineel.

Voetnoten:
1 Michel Foucault, Power/Knowledge: Selected Interviews and Other Writings 1972–1977, Colin Gordon, red. (New York, NY: Pantheon Books, 1980), 193. Geciteerd in Keith Windschuttle, The Killing of History: How Literary Critics and Social Theories Are Murdering Our Past (San Francisco, CA: Encounter Books, 1996), 151.
2 Zie Mark Goldblatts artikel “Can Humanists Talk to Poststructuralists?” in Academic Questions, Lente 2005, Vol. 18, Nr. 2. Goldblatts antwoord: “Dit is waarom humanisten, uiteindelijk, niet kunnen praten met poststructuralisten.” Goldblatt beschuldigt Derrida als volgt: “Want Derrida sluit zijn analyse af met de volgende logische onmogelijkheid: 'Noch/noch, dat wil zeggen, tegelijkertijd of/of.' Met andere woorden: wat Derrida ook bevestigt, het wordt tegelijkertijd ook door hem ontkend. Vanuit een humanistisch perspectief bestaat de enige manier om Derrida's logica te volgen erin dat mentaal de zinsnede 'of niet' achter elke uitspraak van hem wordt geplakt.” (59).
3 Christopher Butler, Postmodernism: A Very Short Introduction (Oxford, UK: Oxford University Press, 2002), 32–36.
4 John Coffey, Life After the Death of God: Michel Foucault and Postmodern Atheism (Cambridge, UK: Cambridge Papers, 1996), 1. Online op http://jubilee-centre.org/online_documents/LifeafterthedeathofGod.htm (September 2005).
5 Mark Poster, Foucault, Marxism and History: Mode of Production versus Mode of Information (Cambridge, UK: Polity Press, 1984), 73. Geciteerd in Windschuttle, The Killing of History, 132.
6 Foucault, Power/Knowledge, 193. Geciteerd in Windschuttle, The Killing of History, 151.
7 Geciteerd in Dennis McCallum, red., The Death of Truth (Minneapolis, MN: Bethany House, 1996), 133.
8 Idem, 138, 139.
9 Zie David Stoll, Rigoberta Menchu and the Story of All Poor Guatemalans (Oxford, UK: Westview Press, 1999)
10 Idem, achteromslag.
11 Robin Wilson, “Anthropologist Challenges Veracity of Multicultural Icon,” The Chronicle of Higher Education, 1999. http://chronicle.com/colloquy/99/menchu/background.htm


WAT DENK JIJ? - Wij hebben allemaal gezondigd en verdienen allemaal Gods oordeel. God, de Vader, stuurde Zijn eniggeboren Zoon om dat oordeel op Zich te nemen voor iedereen die in Hem gelooft. Jezus, de Schepper en eeuwige Zoon van God, die Zelf een zondeloos leven leidde, hield zo veel van ons dat Hij voor onze zonden stierf om zo de straf op Zich te nemen die wij verdienen. Volgens de Bijbel werd Hij begraven en stond Hij op uit de dood. Als jij dit werkelijk gelooft, er in je hart op vertrouwt en alleen Jezus als je Redder aanvaardt door te zeggen: "Jezus is Heer", dan zul je van het oordeel gered worden en de eeuwigheid met God in de hemel doorbrengen.

Wat is jouw antwoord?

Ja, vandaag heb ik besloten om Jezus te volgen

Ja, ik ben al een volgeling van Jezus

Ik heb nog steeds vragen